Twee kwatrijnen van Peter Avery in vertaling

Onlangs ontvingen we op deze site de volgende kwatrijnen met een vertaling daarvan:

We are the puppets and the firmament is the puppet-master,
In actual fact and not as a metaphor;
For a time we acted on this stage,
We went back one by one into the box of oblivion.

Draden die het lot bepalen
Laten ons, de poppen, dansen
Aan de hand van Goden en vandalen
Uitgespeeld? Terug in de doos ‘vergetelheid’
Gekeerde kansen na een ongelijke strijd

“Nobody, heart, has seen heaven or hell
Tell me dear, who has returned from there?
Our hopes and fears are on something of which
My dear, there is no indication but the name.”

Hemel en hel
“Niemand was er even snel
Om het na te vertellen
Luister man, er is geen kennis van
Roddel en achterklap wel”

Het betreft twee vertalingen van resp. kwatrijn nr. 50 en 91 in de versie van Peter Avery en John Heath-Stubbs (London, 1976). De Nederlandse vertaling is van Yoram Diamand.

Aangevuld met onderstaande gedichten:

“Beste bange mens, men zorgt wij vrezen hel
En hemel, toch de theorie zit in de knel
Men verwijst naar zaken,
Waar we ooit misschien in raken
Niet was iemand daar en daarna hier
Om het feitelijke te beschrijven
Het is slechts woord, een tijger van papier
Het woord het troost niet, noch verbrandt ons lijven

Heaven and Hell
Nobody was there, now here, to tell
My dear, how they sanctioned our deeds
We only have their name, that our imagination feeds

“Na het leven”
Het schonk u nimmer hemels dan wel hellebier
U was niet daar en daarna hier
Om u te beklagen
Over het wezen van Gods schuimkragen
Waarop u hoopt of wat u vreest
Ligt niet in ervaring, van waar u bent geweest
Maar in donderpreken over wat ooit komen zal, misschien
Geen levende heeft ooit met eigen oog gezien
Het loon dat aan de dode wordt gegeven

“Den Beker vul …”

Frans Mijnssen en Omar Khayyám

Bij mijn naspeuringen naar Nederlandse vertalingen van de rubáiyát van Omar Khayyám trof ik jaren geleden al het volgende record aan in WorldCat: “Frans Mijnssen. Omar Khayyam. 8 bladen. Autograaf”. Het betrof een document in het bezit van het Literatuurmuseum in Den Haag 1. Om een of andere reden liet ik het daarbij zonder er verder iets mee te doen, hoewel ik er zo nu en dan weer eens aan dacht. Ik nam aan dat het om een ongepubliceerd essay of artikel over de Perzische dichter-astronoom zou gaan. Mijnssen is tot nu toe in de Khayyám-literatuur niet met Khayyám in verband gebracht, laat staan dat hij bekend is als Khayyám-vertaler, maar hij zou niet de eerste zijn van wie onuitgegeven vertalingen zijn gevonden 2. Daarentegen was Khayyám in letterkundige kringen in die dagen absoluut geen onbekende. Toen ik onlangs een bezoek aan het Literatuur Museum plande in het kader van mijn naspeuringen besloot ik dat document eens op te vragen.

Den beker vul, …

Nieuwsgierig opende ik de map waar het stuk in aangeboden werd. Ik zag een aantal losse vellen, ongeveer op formaat ansichtkaart, met een reeks dicht opeen geschreven vierregelige verzen, in een handschrift dat met enige moeite te ontcijferen was. Toch een onbekende vertaling van Mijnssen? was mijn eerste reactie.

Het document omvat acht losse vellen. Het eerste bevat een citaat afkomst uit Twee Vrienden, een geromantiseerde autobiografie uit 1943 (volgens Wikipedia) van August Vermeylen. Het tweede vel, voor ongeveer de helft afgescheurd, toont twee kwatrijnen, genummerd XII en XVI, met als opschrift ‘Omar Kháyyám’ en een in potlood geschreven jaartal 1945 met vraagteken.

Op het eerste vel van de reeks kwatrijnen is met potlood het jaar 1941 met vraagteken geschreven, zij het in een ander handschrift dan de tekst van de kwatrijnen.

De overige zes vellen bevatten elk zeven kwatrijnen, ongenummerd en van elkaar gescheiden door een sterretje. Het eerste vel van deze reeks is niet genummerd, de andere respectievelijk met 2 t/m 6. Op de achterzijde van het laatste vel staat in handschrift “Omar Kayyam”, zonder accenten en zonder h.


Bij een eerste zoektocht in bestaande vertalingen kwam ik met “Den beker vul, …” al snel uit bij een vertaling van H.W.J.M. Keuls (nr. 13 in de reeks Vijftig kwatrijnen van Omar Khayyám, uit 1947). Zou dit als een soort motto dienen voor de rest van het handschrift? Vervolgens kon ik, met enige moeite, de tekst van het eerste kwatrijn uit de serie thuisbrengen als eveneens een vertaling van Keuls, en wel het eerste kwatrijn:

Ontwaak! De morgen wierp in ’t aangezicht
Der nacht den steen die ’t sterrenplan ontwricht:
De jager uit het oosten heeft gevangen
Des sultans toren in een strik van licht.

[NB. In de derde regel heeft Mijnssen ‘ontvangen’ in plaats van ‘gevangen’.]

Vervolgens bleek de hele reeks van tweeënveertig kwatrijnen de vertaling van Keuls te zijn.

De vertaling van Keuls

H.W.J.M. Keuls (1883-1968) publiceerde een eerste Khayyám-vertaling in het tijdschrift Criterium: vijf kwatrijnen naar FitzGerald en twee naar Klabund. In hetzelfde jaar verscheen een bundel bij uitgeverij Stols getiteld Rondeelen en kwatrijnen met daarin acht kwatrijnen naar FitzGerald en wederom twee naar Klabund. In 1947 verscheen tenslotte Verzamelde gedichten III: Rondeelen en kwatrijnen, eveneens bij Stols, met daarin vijftig kwatrijnen van Omar Khayyam. 3

Ponticus

Maar dat is niet waar deze handgeschreven kwatrijnen vandaan komen. Als we verder kijken zien we dat een vertaling van de rubáiyát door Keuls ook al in 1944 was verschenen. Niet onder zijn eigen naam maar onder het pseudoniem Ponticus. Het was een clandestiene uitgave van De Bezige Bij 4  en het blijkt dat hieruit de kwatrijnen zijn overgeschreven.

In het archiefstuk Frans Mijnssen ontbreekt iedere verwijzing naar een auteurschap of herkomst. De jaartallen in potlood op een aantal vellen zijn van een andere hand dan het document zelf, en de kwatrijnen moeten in of na 1944 zijn overgeschreven. Naar het einde toe van de reeks wordt het handschrift moeilijker leesbaar, het lijkt ietwat haastig geschreven.

Enigszins teleurstellend dus? Niet helemaal, al was het maar omdat we hier weer een voorbeeld hebben van de belangstelling voor Khayyám in de Nederlandse literatuur. Maar wat zou nu de reden of aanleiding zijn geweest voor Mijnssen om tweeënveertig kwatrijnen over te schrijven? Om over de tekst te kunnen beschikken? De Ponticus uitgave had een beperkte oplage en zal toen niet in een boekhandel te koop of in een bibliotheek beschikbaar zijn geweest. Er heerste papierschaarste in de oorlog en elke snipper zal bruikbaar zijn geweest. Waren daarom eerder gebruikte vellen welkom? En wat betekenen de twee jaartallen 1941 en 1945, beide gevolgd door een vraagteken? Overigens waren Mijnssen en Keuls geen onbekenden van elkaar. Beiden waren onder andere in 1923 betrokken bij de oprichting van de Letterkundige Kring. Mijnssen was actief in allerlei literaire organisaties, redacties van tijdschriften en uitgeverijen. Hij correspondeerde met vrijwel alle bekende Nederlandse schrijvers uit die tijd. Over het hoe, wat en waarom van deze acht velletjes blijft het voorlopig nog maar even gissen.

[Afbeeldingen Archief Literatuurmuseum, Den Haag]

W. Onderwater

Een van de weinige geïllustreerde Nederlandse vertalingen van de Rubáiyát van Omar Khayyám is afkomstig van W. Onderwater. De titel luidt: Rubaiyat. Omar Khayyam. Vertaald uit het engels door W. Onderwater. Illustraties van Edmund J. Sullivan.

Een kort voorwoord gaat over de eerste versie van FitzGeralds vertaling uit 1859. Er worden geen gegevens over uitgever, plaats en jaar vermeld. Het is vrijwel zeker een privé uitgave met een beperkte oplage, vermoedelijk van de vertaler zelf. Er is verder geen informatie over deze uitgave te vinden en er zijn evenmin andere exemplaren aangetroffen. 

Op de titelpagina van het onderzochte exemplaar staat een onleesbare handtekening en een datum 5-5-1992, vermoedelijk van een (vorige) eigenaar. 

Het is een klein boekje van 21 bij 15 cm., en het telt achtenveertig pagina’s, met zevenenveertig vertaalde kwatrijnen, ieder begeleid met een zwart-wit tekening van Edmund J. Sullivan. De tekening op de voorzijde van het omslag is van een onbekende kunstenaar. De afbeelding verwijst naar het beroemde kwatrijn van FitzGerald:

Here with a Loaf of Bread beneath the Bough,
A Flask of Wine, a Book of Verse–and Thou
Beside me singing in the Wilderness–
And Wilderness is Paradise enow.

Er is iets bijzonders aan de hand met de illustratie op het omslag. De voorstelling doet denken aan een illustratie van Abd-ul Hamzeh Kar (ook wel Hamzeh Carr). 



Onderwater Carr

We zien twee figuren onder een (gestileerde) boom in een setting die min of meer overeenkomt met de voorstelling in het betreffende kwatrijn. De details verschillen in allerlei opzichten, op één uitzondering na en die zit in het gebladerte van de boom: hoewel de takken anders aan de boom zitten is het gebladerte op dezelfde manier weergegeven. Dat kan geen toeval zijn, maar het is een aanknopingspunt dat voorlopig nog nergens naar toe leidt. 

De illustratie van Carr / Kar is onderdeel van een set van zestien illustraties bij twee verschillende rubáiyát edities:

  • The Rubáiyát of ‘Umar Khaiyám. Translated from the French of J.B. Nicolas by Frederick Corvo together with a reprint from the French text. Edited with notes and a comparative study of the original texts, and an introduction by Edward Heron-Allen. With sixteen illustrations in colour by Hamzeh Carr. London, Lane The Bodley Head Limited, 1924.
  • The Rubaiyát of Omar Khayyám. Rendered into English verse by Edward Fitzgerald. First and last versions ; illustrations by Hamzeh Abd-Ullah Kar. New York, Illustrated Editions Company, 1938.

We kunnen speculeren over de vertaler en de maker van deze uitgave: is het een en dezelfde persoon? De keuze voor de illustraties van Sullivan is niet opmerkelijk, die zijn algemeen bekend. Is de maker meer dan gemiddeld bekend in het domein van rubáiyát edities? Bezit, of bezat, hij of zij zelf een exemplaar van een Carr / Kar uitgave?