Frans Mijnssen en Omar Khayyám
Bij mijn naspeuringen naar Nederlandse vertalingen van de rubáiyát van Omar Khayyám trof ik jaren geleden al het volgende record aan in WorldCat: “Frans Mijnssen. Omar Khayyam. 8 bladen. Autograaf”. Het betrof een document in het bezit van het Literatuurmuseum in Den Haag 1. Om een of andere reden liet ik het daarbij zonder er verder iets mee te doen, hoewel ik er zo nu en dan weer eens aan dacht. Ik nam aan dat het om een ongepubliceerd essay of artikel over de Perzische dichter-astronoom zou gaan. Mijnssen is tot nu toe in de Khayyám-literatuur niet met Khayyám in verband gebracht, laat staan dat hij bekend is als Khayyám-vertaler, maar hij zou niet de eerste zijn van wie onuitgegeven vertalingen zijn gevonden 2. Daarentegen was Khayyám in letterkundige kringen in die dagen absoluut geen onbekende. Toen ik onlangs een bezoek aan het Literatuur Museum plande in het kader van mijn naspeuringen besloot ik dat document eens op te vragen.
Den beker vul, …
Nieuwsgierig opende ik de map waar het stuk in aangeboden werd. Ik zag een aantal losse vellen, ongeveer op formaat ansichtkaart, met een reeks dicht opeen geschreven vierregelige verzen, in een handschrift dat met enige moeite te ontcijferen was. Toch een onbekende vertaling van Mijnssen? was mijn eerste reactie.
Het document omvat acht losse vellen. Het eerste bevat een citaat afkomst uit Twee Vrienden, een geromantiseerde autobiografie uit 1943 (volgens Wikipedia) van August Vermeylen. Het tweede vel, voor ongeveer de helft afgescheurd, toont twee kwatrijnen, genummerd XII en XVI, met als opschrift ‘Omar Kháyyám’ en een in potlood geschreven jaartal 1945 met vraagteken.
Op het eerste vel van de reeks kwatrijnen is met potlood het jaar 1941 met vraagteken geschreven, zij het in een ander handschrift dan de tekst van de kwatrijnen.
De overige zes vellen bevatten elk zeven kwatrijnen, ongenummerd en van elkaar gescheiden door een sterretje. Het eerste vel van deze reeks is niet genummerd, de andere respectievelijk met 2 t/m 6. Op de achterzijde van het laatste vel staat in handschrift “Omar Kayyam”, zonder accenten en zonder h.

Bij een eerste zoektocht in bestaande vertalingen kwam ik met “Den beker vul, …” al snel uit bij een vertaling van H.W.J.M. Keuls (nr. 13 in de reeks Vijftig kwatrijnen van Omar Khayyám, uit 1947). Zou dit als een soort motto dienen voor de rest van het handschrift? Vervolgens kon ik, met enige moeite, de tekst van het eerste kwatrijn uit de serie thuisbrengen als eveneens een vertaling van Keuls, en wel het eerste kwatrijn:

Ontwaak! De morgen wierp in ’t aangezicht
Der nacht den steen die ’t sterrenplan ontwricht:
De jager uit het oosten heeft gevangen
Des sultans toren in een strik van licht.
[NB. In de derde regel heeft Mijnssen ‘ontvangen’ in plaats van ‘gevangen’.]
Vervolgens bleek de hele reeks van tweeënveertig kwatrijnen de vertaling van Keuls te zijn.
De vertaling van Keuls
H.W.J.M. Keuls (1883-1968) publiceerde een eerste Khayyám-vertaling in het tijdschrift Criterium: vijf kwatrijnen naar FitzGerald en twee naar Klabund. In hetzelfde jaar verscheen een bundel bij uitgeverij Stols getiteld Rondeelen en kwatrijnen met daarin acht kwatrijnen naar FitzGerald en wederom twee naar Klabund. In 1947 verscheen tenslotte Verzamelde gedichten III: Rondeelen en kwatrijnen, eveneens bij Stols, met daarin vijftig kwatrijnen van Omar Khayyam. 3
Ponticus
Maar dat is niet waar deze handgeschreven kwatrijnen vandaan komen. Als we verder kijken zien we dat een vertaling van de rubáiyát door Keuls ook al in 1944 was verschenen. Niet onder zijn eigen naam maar onder het pseudoniem Ponticus. Het was een clandestiene uitgave van De Bezige Bij 4 en het blijkt dat hieruit de kwatrijnen zijn overgeschreven.
In het archiefstuk Frans Mijnssen ontbreekt iedere verwijzing naar een auteurschap of herkomst. De jaartallen in potlood op een aantal vellen zijn van een andere hand dan het document zelf, en de kwatrijnen moeten in of na 1944 zijn overgeschreven. Naar het einde toe van de reeks wordt het handschrift moeilijker leesbaar, het lijkt ietwat haastig geschreven.
Enigszins teleurstellend dus? Niet helemaal, al was het maar omdat we hier weer een voorbeeld hebben van de belangstelling voor Khayyám in de Nederlandse literatuur. Maar wat zou nu de reden of aanleiding zijn geweest voor Mijnssen om tweeënveertig kwatrijnen over te schrijven? Om over de tekst te kunnen beschikken? De Ponticus uitgave had een beperkte oplage en zal toen niet in een boekhandel te koop of in een bibliotheek beschikbaar zijn geweest. Er heerste papierschaarste in de oorlog en elke snipper zal bruikbaar zijn geweest. Waren daarom eerder gebruikte vellen welkom? En wat betekenen de twee jaartallen 1941 en 1945, beide gevolgd door een vraagteken? Overigens waren Mijnssen en Keuls geen onbekenden van elkaar. Beiden waren onder andere in 1923 betrokken bij de oprichting van de Letterkundige Kring. Mijnssen was actief in allerlei literaire organisaties, redacties van tijdschriften en uitgeverijen. Hij correspondeerde met vrijwel alle bekende Nederlandse schrijvers uit die tijd. Over het hoe, wat en waarom van deze acht velletjes blijft het voorlopig nog maar even gissen.
[Afbeeldingen Archief Literatuurmuseum, Den Haag]- Archief: M 00984 Mijnssen, Frans 1872 – 1954. Frans Mijnssen (1872-1954) Nederlands dichter, essayist en toneelschrijver.
- De dichter Han G. Hoekstra werkte in de oorlogsjaren aan een vertaling, op basis van FitzGeralds versie, die nooit werd gepubliceerd. Zie: Omar Khayyam onder de loep. Woubrugge, 2009.
-
- Uit Rubaiyat door Omar Khayyam. In: Criterium, vol. 2 (1941). Pp. 311-312.
- Uit Rubáiyát door Omar Khayyám. Naar ’t Duitsch van Klabund = Naar ’t Engelsch van Edward FitzGerald. In: Rondeelen en kwatrijnen. Den Haag, Stols, 1947. Pp. 37-39.
- Vijftig kwatrijnen van Omar Khayyám naar de Engelse bewerking van Edward FitzGerald. In: Rondeelen en kwatrijnen door H.W.J.M. Keuls. Den Haag, Stols, 1947. Pp. 93-97.
- Kwatrijnen van Omar Khayyam. Ponticus. Illustraties van John Buckland Wright. [Amsterdam], De Bezige Bij, 1944.