Startpagina | Over deze site
U bevindt zich hier: Startpagina » Vertalingen » Nederlands

P.C. Boutens - 1913

P.C. Boutens (1870-1943) publiceerde zijn eerste Omar Khayyám vertalingen in enkele literaire tijdschriften, zoals 'Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift' (1913, nr. 45).
Boutens is nooit echt duidelijk geweest over zijn bronnen. Zeker is dat hij niet rechtstreeks uit het Perzisch vertaalde, hoewel een tijdlang de indruk heeft bestaan dat dat wel het geval was. Zo verklaarde hij in een brief aan Lodewijk van Deyssel, gedateerd 8 november 1918, dat hij na zijn keuze van honderd kwatrijnen bepaald te hebben, deze had bestudeerd "in den oorspronkelijke tekst onder leiding van een bevriend Hooggeleerde".

Uit onderzoek door de Leidse oriëntalist J.H. Kramers (1943) is gebleken dat Boutens nauwkeurig te werk is gegaan. Net als Leopold koos hij ervoor niet de versie van FitzGerald te volgen maar zich te baseren op vertalingen die volgens hem dichter bij de oorspronkelijke tekst bleven. Het betrof het werk van Nicolas, Whinfield en Heron-Allen, en waarschijnlijk ook de vertalingen door Von Schack, Bodenstedt en Rosen. Later onderzoek door De Bruijn en Goud (2000) heeft meer licht geworpen op deze kwesties. Zo is onder meer aannemelijk gemaakt dat Boutens ook de (proza)vertaling van McCarthy heeft bestudeerd. Ook zijn er aanwijzingen dat Boutens enkele lessen Perzisch heeft gevolgd om klank en ritme van de oorspronkelijke teksten te kunnen beoordelen.

Een derde bevangenis en waanzin is die van de Moezen komt ... Maar wie buiten den waanzin der Moezen om komt tot de deuren der dichting met het geloof dat hij op grond zijner kunstvaardigheid een toereikend dichter zal zijn, die blijft zelf oningewijd, en zijn werk, het werk van den bezonnene, wordt door dat der waanzinnigen verduisterd.
PLATOON, PHAIDROS.

De wereld groent; de bloesem, uitgetogen
Als Moesa's hand, versneeuwt de takkebogen;
En Isa's adem wekt alom het kruid;
In tranen open gaan de wolken-oogen.

De roos zeî: Zaagt gij ooit zóo kwistig kind?
Mijn open oogen zijn van lachen blind.
Dan los ik lustig van mijn beurs de koorden,
En al mijn rijkdom strooi ik op den wind!

'k Heb jaar aan jaar in ijdle hoop verdaan:
Daar was geen dag geluk in mijn bestaan -
O éene vrees dat 'k op dit vluchtig leven
Niet meer verhalen zal wat me is ontgaan!

Drink wijn, en wees gelukkig bij den wijn.
Bemin, en laat uw minnen zalig zijn.
Gij zijt bestemd om eenmaal niet-te-wezen:
Leer hier den dood in al zijn wederschijn.

De dag is luw en lieflijk: vroege regen
Wiesch het gelaat der rozen allerwegen.
De nachtegaal in de' ouden tongval roept:
Drink wijn, drink wijn! der bleeke roze tegen.

Mijn dorst leî lippen aan kruiks koelen mond ...
Sliep het geheim des levens op haar grond? ...
Daar voer een fluistring door de vochte kussen:
Drink lang en diep: ik kom maar éenmaal rond.

Ontwaak, o vreemde knaap, het daget al!
Vul met robijnen most het klaar kristal.
Want nooit hervindt uw levenlange zoeken
Dit sterflijk leen, dit uur in dit aardsch dal.

Deze omgekeerde kom, dees halve-sfeer
Drukt in haar overmacht de wijzen neêr.
Maar let op kan en kelk: hun lippen raken:
Bloed vloeit in lange kussen over-weêr.

Pleng de' ongerepten godedrank ten groet
Aan al de schoonheid die dit leven zoet.
De wijn is wijnstoks bloed. 'Drink', hoor hem murmlen.
'Wie kan meer geven dan zijn hartebloed?'

Ons dronkenen laat kan en kelk geen tijd.
Uw lessen, kwezel, raak aan andren kwijt ...
Ziet gij niet dat wij op den wijn verliefd zijn,
En dat ons niets van liefstes lippen scheidt?

Neem in uw hand de kelk met wijn en haal
Met zuivre stem de noot der nachtegaal.
Die wijn drinkt moet hem zoetkeels begeleiden:
Hoor door den hals het zingen van den straal.

Verstandig zijt gij? - Om den wijn te smaken
Der wijsheid, moet gij eerst verdwaasd geraken.
Gij zijt een dwaas? - Uw dwaasheid baat u niet.
Wijn laat zich niet uit elke druiven maken.

Een boek met verzen, wijn, een handvol brood,
Zooveel als weert de dreiging van den dood,
En U met mij in eenzaamheids oaze -
't Waar' meer dan 't leven ooit een koning bood.

'k Zie, schenker, in den straal robijnen weenen.
Onthoud mij de' afglans niet dier vloeibre steenen!
Stel op mijn hand de kostelijke kelk
Dat zij mijn ziel heur fonklend leven leene.

De wijzen, knaap, die vóor ons zijn gegaan,
Zijn ingedommeld in hun eigenwaan.
Ga, vul den beker. Al hun woorden wegen
Min dan de wind die ritselt door de blaên.

Wij schonden ons geloften en onze eeden,
Wij achtten niet op goede of slechte rede -
Maak dronknen van hun waanzin geen verwijt:
Het is de wijn der liefde, dien wij treden.

Ook hiervan werd mijn hart niet vrijgesteld,
Een staêg versmachten dat onleschbaar kwelt ...
O Liefde die ons hart gewent te drinken
Den wijn die uit zijn eigen wonden welt.

Dit Hemelrad zoekt mijn verderf en 't uwe.
Ruischloos besluipt het mijne ziel en de uwe ...
Zit neêr in 't groene gras, lief, vóor eerlang
Nieuw gras ontspruit uit dees mijn stof en de uwe.

Die Maan-gewijs in geenen vorm beklijft -
Die beurtlings zich in plant en dier belijft -
Haar vangt de dood zoo min als uw gedachte:
Haar schijnen wisselen, haar wezen blijft.

Der Ziele wegen volg met onderscheid.
Verzwijgen leer de dingen van den tijd.
Ofschoon gij ooren hebt en mond en oogen,
Toch doet gij beter of gij zonder zijt.

Uit welke schacht werd dees robijn geheven?
Welk merk ligt in dit puur juweel gedreven? -
IJdel is al betoog: Liefdes geheim
Staat in een ongekende taal geschreven.

Drommen slaapwandlaars over aardes vlak;
En rijen roerloos onder 't groene dak;
En zielen gaan en komen: haar legioenen
Beduisteren der heemlen open wak.

Gaav' God dat ergens ons een rustplaats was,
Een slaap die al vermoeienis genas,
Een hoop na honderdduizend jaar te ontspruiten
Uit 't hart der aard, nieuw als het jonge gras.

Weêr wekt de haan mij met zijn schellen kreet,
Als elken dag, opdat ik niet vergeet
Te schouwen in den spiegel van den morgen:
Weêr ging een nacht terwijl gij nog niets weet.

Mijn jeugd zocht leering bij die wijzer schenen,
En liet zich gretig met hun kennis spenen.
Ik vond de slotsom aller wetenschap:
Die kwam als dauw, is haast als wind verdwenen.

Op hun gevleugelde gedachten reden
Der stervren grootsten tot de sterresteden.
Verbijsterd in hun speuren naar dit zijn,
Wentlen ze in hemels groote duizling mede.

Wat die Pen schreef, geen macht die 't keere of wissch'.
Al leed delft dieper zich in droefenis:
Al zoudt gij al uw bloed tot tranen weenen,
Geen druppel maakt gij meerder dan hij is.

Die nooit éen nachtwaak naar de waarheid taalden,
Geen voetbreed buiten eigen kleinheid dwaalden,
Zij wandlen rond in zachte kleederen,
En schimpen op hun meerdren hoe die faalden.

In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,
Door 't eenig-welig onkruid overrompeld, -
O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,
En als een tulp in eigen bloed gedompeld!

Gij vraagt den zin van dit bewogen wonder? -
Zooveel omzie ik van den wanklen vlonder:
Een wijd vizioen uit grondlooze' Oceaan
Stijgt op en duikt in de' eigen afgrond onder.

O niet om niet veelduizend dagen vloden
Van morgenschemering naar avondrooden.
Treed licht op dit bleek stof: `t was zeker eens
De helle oogappel van beminde doode.

Een pottebakker zag ik aan zijn wiel,
Die 't leem mishandelde met vuist en hiel.
Daar zuchtte 't weerloos stof: Hanteer mij lichter.
Ook ik was mensch eer ik hiertoe verviel.

Als van dit lijf, in doods geweld gegeven,
Geen kenbre schijn of schaduw is gebleven,
Vorm uit mijn stof de schenkkan van den wijn;
Want in zijn geur zal nog mijn ziel herleven.

Dit hemels rad, die aardes vesten grondde,
Sloeg hoeveel harten met hoevele wonden!
Wat schat, in 't stof van deze kleinen bal,
Dolf Hij aan geurig haar, robijnen monden!

Ik zag een kluizenaar in zijn woestenij;
Geen ketter, geen geloovige; arm was hij;
Hij wist van God noch waarheid, recht noch rede -
Wat tweede komt dien man in moed nabij?

Stel 't leven éen voortdurend feest - en dan?
De laatste dag breekt eindlijk aan - en dan?
Stel uw geluk op volle honderd jaren,
En nog eens honderd jaar daartoe - en dan?

Een vijand blijkt op wien gij meest vertrouwt,
Als van nabij uw oordeel hem beschouwt.
Beter voorshands niet veel met vrienden wezen:
Alleen van ver zijn menschenwoorden goud.

Millioenen zijn tot stof en asch gekomen:
Elk naar zijn oorsprong scheidden hun atomen ...
Wat drank bedwelmt dit menschdom eeuwenlang,
Dat nimmer moê wordt de' ouden droom te droomen?

Denk, Hart, al wereldsch goed uw eigendom,
En heel de wereld uwer wenschen som -
En dan u-zelf: sneeuw die voor enkle zonnen
Verteert van 't veld, en geen vindt haar weêrom.

Elke' avond komt berouw dat ik mij keer'
Van vollen kroes en kelk ... Nu bloeien weêr
Rozen en vreugden ... Met het tij der rozen
Gun van berouw respijt, o levens Heer!

Waak, Wel-van-vreugd, de lucht staat rood en geel.
Stil slurp den wijn en tokkel zacht de veêl.
Want niets of weinig winnen zij die slapen,
En wie brengt konde van der dooden deel?

Laat niet door smarts omhelzing u bekoren;
Geef niet uw dag aan ijdel leed verloren:
Tot de aarde u wegsluit in haar boezem, pleeg
Beminde lippen, boek en bloeiend koren.

Voort gaat de nachtelijke karavaan ...
Benut de korte rust u toegestaan! ...
Maal, schenker, niet om 't morgen uwer klanten.
Reik ons den wijn; want reeds verbleekt de maan.

Kwel niet uw lichaam dat gij winnen zoudt
Het bleeke zilver en het rosse goud!
Nog zijt gij adem-warm: eet met uw vrienden:
Uw vijand komt, die na u maaltijd houdt.

Laat ouden schijn in nieuwen schijn verstroomen - :
Wat hindert u uw kort geluk te droomen? ...
Zoo 't wezen dezer wereld stilstaan was,
Hoe waart gij immer aan de rij gekomen?

In dit voor-anker gaan sprak ik niet meê -
Straks kies ik buiten mijn bestel weêr zee -
Rijs, gord uw lendnen wel, o slanke schenker,
Verdrinken wil `k in wijn al wereldsch wee.

Daar deelt de maan de donkre wolkenvacht.
Drink wijn; want zeldzaam is zoo zuivre pracht.
Wees vroolijk; want of wij haast moeten scheiden,
Nog eeuwen zaligt deze maan den nacht.

'k Drink wijn, met allen die dat waardig mogen.
Het moet een luttel ding zijn in Gods oogen.
Toch wist Hij eer Zijn hand mij had gevormd.
En dronk ik niet, ik stelde God te logen.

Als gij wilt luistren, hoor éen raad van mij:
Sla nooit den mantel om der huichlarij!
De eeuwigheid duurt altoos, de wereld even.
Houd éen kort uur uw eeuwge rechten vrij.

Hoe lang al dool ik dronken tusschen rozen,
En laat de wereld aan de redeloozen? -
Al heeft de wijn mij tot geen doel geleid,
Men houdt den weg dien men eens heeft gekozen.

Gelijk de stormwind langs de zanden baan,
Zoo jaagt voorbij de dag van mijn bestaan -
Zoolang ik adem zal ik twee niet tellen:
Den dag die komt, den dag die is gegaan.

Blijf nog een wijl bij wijn en liefde wakker.
Lang volgt de slaap en zonder lief of makker.
Leg weg als goud dit toevertrouwd geheim:
Geen tulp die tweemaal bloeit op dezen akker.

Vóordat die Roover u bij nacht verrast,
Verlicht de kruik van haar rooskleuren last.
Wel als een schat wordt gij in de aard gedolven,
Maar niemand graaft u op, o dwaze gast.

Ik was niet hier, had het aan mij gestaan -
Ik ging hier, uit mij-zelven, niet vandaan -
Het best zou zijn, ik waar' hier nooit gekomen
In dit kansspel van blijven en van gaan.

Verbijsterd zond Hij mij dit leven in.
En nieuw verbazen is al mijn gewin.
Wij scheidden van Hem zonder wil, wij weten
Van komst noch aanzijn noch vertrek den zin.

't Geheim der eeuwigheid weet gij noch ik.
Haar raadselspreukontcijfert gij noch ik.
Achter den voorrang wordt van ons gesproken.
Maar valt de voorhang, waar zijn gij en ik?

'k Toog op mijn pad woestijnen door en dalen:
Tot elken aardschen uithoek drong mijn dwalen:
Nooit zag ik éen die weêrkwam van de reis,
En niemand ging den weg ten tweeden male.

Geen liefde hier vlamt op tot zielerust:
Het blijft een smeulend vuur en half-gebluscht.
Die eerst bemint, die jaren zóo zou minnen,
Dat dag noch nacht spijs wist of slaap of rust.

Gij mint robijnen lippen, rooden wijn,
Den klank van harp en fluit en tamboerijn -
't Is alles bijzaak: God is mijn getuige:
Die iets wil zijn, moet los van alles zijn.

Doorzag het hart 't geheim van dezen staat,
Dan opende de dood Gods ganschen raad -
Niets weet gij heden, met u-zelf tezamen:
Wat weet gij morgen als ge u-zelf verlaat?

Nu houdt Gij weg van elk Uw aangezicht,
Dan straalt Gij in Uw schepslen weêr aan 't licht:
Eenig Aanschouwer en Alleen-Aanschouwde,
Hebt Gij U-zelf dit weidsch tooneel gesticht.

Die Schenker woont in Zijn onnaakbre hallen.
Hij liet den voorhang onvoorwaardelijk vallen.
Nog schept Zijn gril, als bellen in den wijn,
Uw evenschepselen bij duizendtallen.

Wijsgeer misnoemen zij mij, die mij haten.
God weet, ik ben niet wat zij van mij praten.
Veel erger staat het: alles wat is was,
Heb 'k in dit broeinest van verdriet gelaten.

Ik ben een slecht slaaf - : waar is Uw genade?
Mijn hart is nacht - : waar blijft Uw dageraden?
Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:
Dat's loon - : waar zijn Uw gunst en liefdedaden?

Met niemand, goed of kwaad, deel ik vertrouwen.
Te lang is elk woord voor mijn fel aanschouwen.
Ik zie een oord dat 'k niet beschrijven kan.
'k Draag een mysterie dat 'k niet mag ontvouwen.

Als Hij u noodt dat ge aan Zijn tafel eet,
Dan wisselt gij uw wezen als een kleed.
Eén teug oneindigheid uit Zijne handen
Maakt dat gij al wat leeft en stierf, vergeet.

Naar U bloedt ieder hart, van U gescheiden;
Alle oogen smachten naar Uw aanbliks weiden;
En schoon U-zelf geen schepsel deren kan,
Daar is niet éen die niet om U moet lijden.

Ik krijg met driften die mij overstreven.
De nasmaak van mijn daden wrangt mijn leven.
Uw goedheid rekent het niet aan - maar o
De schaamte omdat Gij weet wat 'k heb bedreven!

U zoekt der schepping wanhoop tot beminde.
Rijkaard en derwish falen U te vinden.
Gij zijt op aller tong - elkeen is doof.
Gij zijt voor aller oog - zij zien als blinden.

De waterdruppel, van de zee gescheiden,
Klaagde totdat haar stille glimlach zeide:
God is nu in u en mij, wij blijven éen.
Niets dan onmerkbre schijn is tusschen beiden.

Naar Rol en Stift, naar Hel en Hemels deuren
Trachtte de ziel van 't eerste morgenkleuren ...
Laat in den middag nam de Meester 't woord:
Wat zoekt gij buiten u uw harts gebeuren?

Daar slechts wat Hij u geeft, u toebehoort,
Haak niet naar wat met half-bezit bekoort.
Maak niet uw hart een lastdier van begeerten:
Dat alles laat gij voor de laatste voord.

Beter éen ziel te rechten uit haar lijden,
Dan heel een weerld met zielen overbreiden.
Eedler éen vrij man winnen tot zijn slaaf,
Dan duizend knechten uit het diensthuis vrijden.

Waar blijft de Vriend aan wien ik mij verklare?
De nachtegaal kan geen geheim bewaren ...
O kwelling waar Uw ijver ons toe doemt,
Dat nimmer ziel aan ziel zich openbare.

Nooit gunt het noodlot mij bij U te beiden.
Ik duld geen ademtocht, van U gescheiden.
Met niemand durf ik spreken van mijn leed.
... O wreed lot, vreemd verdriet, o zalig lijden!

Heeft ooit mijn dienst Uw heerlijkheid gebaat?
Mijn zonden Uw oneindigheid geschaad? -
Vergeef, en straf mij niet. Gij zijt, ik weet het,
Reê met vergeven en tot straffen laat.

Hij schiep mijn hart, toen Hij de grondstof kneedde,
De wet der liefde in als zijn hoogste rede.
Wat stof bleef over, waar Zijn luim uit dreef
Den sleutel tot Zijn andre heimlijkheden.

Uw schoonheid slaat mij stom: het donker zingen
Van 't hart laat zich niet naar de lippen dwingen ...
O dorst o onmacht die versmachten moet
Waar klaar en koel de wateren ontspringen.

Licht maak mijn hart den last die 't houdt gebogen.
Bedek mijn schulden voor der menschen oogen.
Geef heden mij geluk, en morgen doe
Mij naar de waardigheid van Uw Meêdoogen.

Welkom, beloofde Rust van ziels lang togen ...
Wel zien, maar niet gelooven U mijn oogen ...
O lief, om Gods wil, niet om mij, drink wijn,
Drink wijn, dat ik weêr aan U twijflen moge.

Blijf, hartverrukkend Lief, in roerloos zwijgen.
Verrijs niet, martel niet Uw weerloos eigen ...
Gij wilt dat 'k U niet zal zien: wie kan
Den vollen beker zonder storten neigen?

Als Ge uit gekrenkte liefde mij kastijdt,
Mijn ontrouw tuchtigt met bedoelden spijt, -
Dan is geen straf te zwaar, die ik moet lijden;
Dan laat haar duren tot in eeuwigheid!

Reken dit Hemelrad niet alles aan,
Al 't goed en kwaad in ons en ons bestaan:
Duizendmaal hulpeloozer dan wij-zelven
Beweegt het zich langs Liefdes eeuwge baan.

Wij bleven arm: wij dienden Liefde alleen:
Andren bezitten goud en elpenbeen ...
Vraag ons een liefde-bleek gelaat en lompen.
Voor zijden stoffen moet gij elders heen.

Die amper brood heeft, en een veilge wijk,
Geen slaaf of meester kent of hunsgelijk,
Laat hem tevreden wezen met zijn leven:
Niet velen op dees wereld zijn zoo rijk.

Gij kind der Hel, bestemd daar weêr te keeren,
Of ooit de vlam uw roode zonden tere -
Gij bidt voor Khayyam om vergiffenis?
Wat zijt gij God, die Hem genâ wilt leeren?

Laaf mij met wijn, met roode-tulpengloed;
Stort uit de keel der flesch dat zuivre bloed!
Onthoud mij niet den laatsten mijner vrienden:
Al de anderen vond ik onrein van gemoed.

'k Hield, dank den schenker, éen tocht levensmoed!
Maar tweedracht blijft der menschen eenig goed.
Eén maat schoot van den wijn gistren over ...
Wie weet hoe lang 'k daar nog op leven moet.

Zalig het hart dat ongekend hier scheidde,
Dat nooit in purper ging of praal van zijde;
Dat als een arend 't pad der heemlen koos,
En niet als uil in dezen bouwvalk beidde.

Nog lokt in elke roos een zoet gezicht;
Staêg in den wijn sprankt vreugds robijnen licht ...
O Leven, elken dag wordt gij mij vreemder,
Hoe meer vertrouwd mijn oog zich op u richt.

Ik ben 't die lach met wetten en geboden,
Die andren om mij ter taveerne noode;
Die, wijn-gelaafd, den langen nacht tot God
Mijn bloedend hart laat roepen zijne nooden.

Ergens in hemels onafpeilbren ring
Wacht de avonddronk die nooit aan éen ontging.
Als uw beurt komt, begeef u niet in klachten.
Blij drink den wijn die rondgaat in de kring.

Zoo vaak de volle wijnkelk in mijn hand
Mijn hart in dronkenschaps verrukking bant,
Dan worden wondren licht, in waatren woorden
Breekt Gods geheimnis op het stille zand.

Melkweg: de gordel aan mijn leest ontgleden.
Dzjihoen: de bedding van mijn tranen breedden.
Eén sprank van mijn rood hartewee: de Hel.
Eén blik van mijn geluk: de Hof van Eden.

Gegaan zijn allen die mij naast bestonden:
Zij hebben wijn-bezwaard den slaap gevonden ...
O broedren in der zielen drinkgelag,
Ik volg u weldra, binnen enkle ronden.

'k Zocht in dit tijdlijk huis met al mijn zinnen
Naar schoonheid die ik neven U mocht minnen -
De maan is glansloos bij Uw aangezicht,
En geen cypres kan Uw gestalte winnen.

Al zoû der heemlen val de sterren blinden,
Ik vind U op Uw pad, o mijn Beminde;
Ik laat Uw kleed niet los: Verklaarwaarom
Gij 't leven naamt, Uw gift, van Uwen kinde.

Een sperwer op mijn vlucht naar hooger ronden,
Viel ik hier neêr. Ik heb geen vriend gevonden,
Aan wien ik mijn geheim vertrouwen kon.
Ik ga: 't blijft onverklaard en ongeschonden.

Mijn krank hart vond geen kruid; mijn ziel, gestegen
Ten lippen, smacht nog steeds den bruîgom tegen.
Mijn leven gaat in de oude onwetendheid;
En schaduw-donker blijven liefdes wegen.

Ons had de dronken drift van 't blijde leven
Van de aard tot in de hemelen geheven ...
Wij zijn aan `t doel: wij rusten, lijf-bevrijd,
Of we altijd thuis bij moeder zijn gebleven.

Dertig kwatrijnen van Omar Khayyam. In: Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, 23 (1913), 45
Dertig kwatrynen van Omar Khayyam. In: De Nieuwe Gids, 28 (1913), mei
Veertig kwatrynen van Omar Khayyam. In: Groot-Nederland, 11 (1913), juli
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. Bussum, Van Dishoeck, 1913
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. 2e druk. Bussum, Van Dishoeck, 1919
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. 3e druk. Bussum, Van Dishoeck, 1946
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. In: Verzamelde werken. Derde deel. Haarlem, Boucher, 1951
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. In: Verzamelde lyriek. Tweede deel 1922-1943. Amsterdam, Athenaeum - Polak & van Gennep, 1968
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. Amsterdam, Athenaeum - Polak & van Gennep, 1969. (Kleine Bellettrie Serie)
Rubaiyat: honderd kwatrijnen van Omar Khayyam. [Tweede, herziene druk door A.L. Sötemann en H.T.M. van Vliet]. Amsterdam, Athenaeum - Polak & van Gennep, 1981. (Kleine Bellettrie Serie)
Een schoone waanzin van de hoogste dichterlijke soort: tien kwatrijnen van Omar Khayyam. Met illustraties van W. Arondéus. [S.l.], Nederlandse Vereeniging voor Druk- en Boekkunst, 1995

'Umar Khayyám's Impact on Dutch literature. M. Goud. In: 'The great 'Umar Khayyám. A global reception of the Rubáiyát'. Ed. by A. Seyed-Gohrab. Leiden, Leiden University Press, 2012, p. 115-127.
Omar Khayyam onder de loep. Enkele notities over de totstandkoming van Boutens' Rubaiyat (1913)
. Marco Goud. In: 'Jaarboek 5'. Woubrugge, Nederlands Omar Khayyam Genootschap, 2009, pp. 22-25.
Omar Khayyam en zijn Rubaiyat (bij wijze van inventaris). Willy Spillebeen. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde. Jaargang 2007. Gent, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 2007.
Een drang iets schoons te bieden. Over een toneelopvoering van Boutens' Rubaiyat-vertaling in 1916. Marco Goud. In: 'Jaarboek 4'. Woubrugge, Nederlands Omar Khayyam Genootschap, 2006, p. 30-33.
Honger naar kwatrijnen. P.C. Boutens en de Perzische literatuur. Marco Goud. In: 'De Perzische muze in de polder. Red. M. Goud en A. Seyed-Gohrab. Amsterdam, Rozenberg, 2006, pp. 93-114.
'Op hun gevleugelde gedachten'. Over P.C. Boutens en de Rubaiyat van Omar Khayyam. R. Batenburg. Amstelveen, 2004. Scriptie.
Omar Chajjâm en P.C. Boutens in de nalatenschap van J.H. Kramers. Hans de Bruijn. In: 'Jaarboek 3'. Woubrugge, Nederlands Omar Khayyam Genootschap, 2000, p. 38-45.
Een boek met verzen. P.C. Boutens en Omar Khayyam. Marco Goud. In: 'Jaarboek 3'. Woubrugge, Nederlands Omar Khayyam Genootschap, 2000, p. 49-57.
Het Perzische kwatrijn. J.D.Ph. Warners. In: Het Nederlandse kwatrijn. Amsterdam, Meulenhoff, 1947, p. 98-170.
De bronnen van Leopolds en Boutens' Perzische kwatrijnen. J.D.Ph. Warners. Bijlage in: Het Nederlandse kwatrijn. Amsterdam, Meulenhoff, 1947, p. 203-206.
Opvoering in Diligentia van een Perzisch spel "Rubaiyat" van Omar Khayyam, vertaald door P.C. Boutens. M.W. In: Studenten Weekblad, 18, 1915-1916, nr. 19 (17 feb. 1916).

Klik hier om naar de galerij te gaan