Startpagina | Over deze site
U bevindt zich hier: Startpagina » Vertalingen » Nederlands

D. Meursing - 1999

Dirk Meursing gaf zijn eerste vertalingen de Rubáiyát, te weten elf kwatrijnen naar FitzGeralds versie van 1859, uit in eigen beheer in 1999. In het zelfde jaar gaf hij een vertaling uit van 25 kwatrijnen naar het Frans van Vincent-Mansour Monteil. Twee jaar later was deze selectie uitgebreid tot 50 kwatrijnen op basis van Monteil, met een kleine aanpassing kort daarna.
In 2005 publiceerde Meursing een nieuwe reeks vertalingen, bevattende 197 kwatrijnen uit verschillende bronnen en vertalingen: Furughi en Ghani (1942), Hedayat (1934), Dashti (1966), "Bodleian MS.", "Cambridge Ms.", en het "Chester Beaty Ms.". Deze uitgave, voorzien van noten en bronverwijzingen, en versierd met afbeeldingen van Perzische tapijten, werd eveneens in het zelfde jaar herzien, waarbij het aantal kwatrijnen was terug gebracht tot 194. Al deze uitgaven werden privé gedrukt en uitgegeven.
Daarnaast werden selecties uit Meursings kwatrijnen enkele keren opgenomen in de Jaarboeken van het Nederlands Omar Khayyám Genootschap.

Elf kwatrijnen van Edward FitzGerald, geïnspireerd door de Rubaiyat van Omar Chayyam. Herdicht door Dirk Meursing. Alsemberg, [s.n.], 1999
Vijfentwintig kwatrijnen van Vincent-Mansour Monteil, naar de Rubaiyat van Omar Chayyam. Herdicht door Dirk Meursing. Alsemberg, [s.n.], 1999
Vijftig kwatrijnen, toegeschreven aan Omar Khayyám. Herdicht door Dirk Meursing. Alsemberg, [s.n.], 2001
Vijftig kwatrijnen, toegeschreven aan Omar Khayyám. Herdicht door Dirk Meursing. Tweede uitgave. Alsemberg, [s.n.], 2001.
Een keuze uit de ruba'iyat toegeschreven aan Omar Khayyam. Alsemberg, [s.n.], 2005 (Revised version 2005)
Zestien ruba'iyat in de vertaling van Dirk Meursing. In: Jaarboek 4. Woubrugge, Avalon Pers, 2006
Vijftien kwatrijnen, toegeschreven aan Omar Chajjaam. Vertaald door Dirk Meursing. In: Jaarboek 5. Woubrugge, Avalon Pers, 2009

Mijn lieve Maan, die van voorbij niet weet
Komt stralend op. Wat Vreugde zij mij geeft! -
Hoe vaak zal later in dezen Hof
Uw hemels Licht mij zoeken - tevergeefs!
(Naar FitzGerald, 1999)

Laatst mocht ik kijken bij de pottenbakker,
zijn vingers speelden met de zachte klei.
Ik dacht, van wat ik zie lig jij niet wakker:
't is 't stof van 't voorgeslacht van jou, van mij.
(Naar Monteil, 1999)

Ik wil niet luidkeels bidden, dansend door de straten,
'k wil in een hoekje in het wijnhuis met U praten.
Begin zijt Gij en Eind. Het Al is in Uw handen.
Of ik ten hemel varen zal of eeuwig branden.
(Naar Monteil, 2001)

Niet vaak dat men het Boek zelf openslaat
tot lering van wat daar geschreven staat.
De in de rand van 't glas geëtste verzen
leest men overal, van vroeg tot laat.
(Naar Kasra, 2005)