Startpagina | Over deze site | Contact
U bevindt zich hier: Startpagina » Invloed » Letteren » Inspiratie en navolging

Adriaan Roland Holst

Ook Adriaan Roland Holst was gesteld op de Rubáiyát in de bewerking van FitzGerald. Aan zijn vriend Marius Brinkgreve schreef hij vanuit Oxford over zijn bezoek aan de Bodleian Library waar hij het het oorspronkelijk Perzische manuscript van de Rubáiyát van Omar Khayyám had gezien, "dat door FitzGerald op zoo onvergelijkelijk mooie wijze in 't Engelsch vertaald is." (Brieven aan Marius Brinkgreve 1908-1914. Amsterdam, 1981)

In 1919 schreef hij een kwatrijn als begeleiding bij een cadeautje voor zijn tante Henriëtte Roland Holst:

In 't oosten wordt de late nacht al bleeker -
Nog is er tijd, en wijn; vul snel uw beker -
Straks breken we op en is nog maar alleen
't onzeker onderweg zijn niet onzeker.
(Geciteerd in: Castrum Peregrini, 1979, p. 72-73)

en in de bundel Onderweg (1940) schreef hij een opdracht voor Gisèle Waterschoot, in de vorm van een omariaans kwatrijn:

Toen eindelijk de Wereld hare draai nam,
en tot elk Onrecht Wraak gelijk een haai kwam,
vernietigend; toen bonden geest en geest
zich samen in het woord van Omar Kháyyam.

Bekend is ook de polemiek in kwatrijnen met Simon Vestdijk: Swordplay-Wordplay: kwatrijnen overweer, ('s-Graveland, 1950) een literair steekspel naar aanleiding van een door A.Roland Holst in een speciaal nummer van Podium geschreven kwatrijn, opgedragen aan S. Vestdijk bij diens 50e verjaardag.