Omar Khayam
1926

I
Wijn en een vrolijk wezen zijn mijn wet;

mijn godsdienst, dat ik op geen godsdienst let;

de wereld is mijn bruid; wat wil ze als gift?

‘op uw blij hart heb ik mijn zin gezet.'


II

Gezien of niet de wereld, om het even: het is niets.

wat gij gehoord, gezegd hebt of geschreven: het is niets.

gereisd door de klimaten alle zeven: het is niets.

tot studie en bespiegelen thuis gebleven: het is niets.


III

De wereld ingericht naar uw belief - en dan?

voleindigd de doorlezing van den brief - en dan?

een leven honderd jaren u geschonken

en nogmaals honderdduizend jaar naar uw gerief - en dan?


IV

Dit bindend lijf, dit stoffelijk gewicht; wat is het?

kringloop der heemlen, aardeaangezicht; wat is het?

in dezen oorlog tusschen dood en leven

draagt ons een adem licht, verzwindend licht; wat is het?


V

In dit kermisvertoon zoek vriend noch magen,

hoor naar mijn woord: wil niet om toevlucht vragen,

aanvaard het leed, wees goedmoeds in de smart

en denk niet, dat u iemand zal beklagen.


VI

Hij, die den hemel schiep, den wereldkloot,

hoe schroeiend leed hij in ons harte sloot!

hoeveel robijnen lippen, hoeveel muskushaar

heeft hij bedolven in der aarde schoot!


VII

‘In blozend schoon ligt mijn gelaat gespreid;

waarom door reukwerkpers mij smart bereid?'

fluistert de roos, de nachtegaal geeft antwoord:

‘een dag gelachen en een jaar geschreid.'


VIII

De wereld is een buidel vol verdriets

zonder den wijn, de zang des Irakriets;

alleen verheuging is wat waarde heeft,

festijn en blijdschap en de rest is niets.


IX

Uit de taveerne klonk een stem op straat:

‘o drinkens zot, die u te buiten gaat,

sta op en vul de schenkpint van den wijn,

voordat gevuld wordt van u zelf de maat.'


X

Hoe lang nog zal ik om mijn toekomst beven?

hoe lang om mijn geluk in zorgen zweven?

schenk in; ik weet niet eenmaal of ik thans

de ingehaalde lucht weer uit zal geven.


XI

De kan gevuld ... en vorst Mahmoed regeert,

de harpe klinkt ... en David psalmodeert,

wat was, wat zijn zal, wil er niet om geven,

geniet wat is; een dwaas die meer begeert.


XII

Een mondvol wijn trotseert den vorst Kaoes,

den schepter van Kobad, den troon van Thoes;
de zucht des minnaars ‘s morgens overtreft

moskeegeprevel en geroezemoes.


XIII

De lenteregen wiesch de klaproos af,

sta op, sta op; tast naar de wijnkaraf;

al wat vandaag ontsproten u verrukt,

zal morgen in den bloei staan op uw graf.


XIV

Waarover klaagt de vroege kakelhaan?

Dat in den morgenspiegel hij zag staan,

hoe andermaal van uw gemeten leven

een nacht gevoelloos is te niet gegaan.


XV

Ik ben niet waard, dat ik een kerk betreed,

wie zegt, uit welke klei ik werd gekneed?

een kettersch schooier ik, een loensche meid,

ik die van God, gebod noch namaals weet.


XVI

De visch, de taling bij het in de oven staan:

‘denkt gij, dat de rivier stroomop zal gaan?'

de ander: ‘als wij gaar zijn, of het Al

luchtspiegeling is of zee, wat komt het er op aan?'


XVII

De wereld is een tooverend belover,

voorspiegelaar en straks een valsche roover;

zie dan de vriendschap tusschen kan en glas,

die lip op lip zijn en het bloed vloeit over.


XVIII

Lach om al dit vergankelijke, dezen

ophef; kom drink, wees vrolijk zonder vreezen;

was al de wereld niet een wufte vrouw,

dan zou het toch nog lang uw beurt niet wezen.


XIX

Van nacht zal ik bij fakkels en flambouwen

de wijnkaraf tot op den grond beschouwen,

van rede en religie ga ik scheiden

en met de dochter van den wingerd trouwen.


XX

Een lief gezicht spiegelend in waterblinken,

rozen en wijn, ik wil er in verzinken;

sints mijn geboorte, nu en tot mijn dood

heb ik gedronken, drink en zal ik drinken.

XXI

O hoogste Heerscher van het wereldwijd,

vraagt gij, wanneer de wijn mijn ziel verblijdt?

Dat is op zondag, maandag, dinsdag, woensdag,

donderdag, vrijdag, zaterdag: altijd.


XXII

Als het viooltje kleurdoopt haar gewaad,

op morgenwind de roos half opengaat,

een wijze dan, wie naast een vrouw gezeten

de beker leegt en hem in stukken slaat.


XXIII

Ik sloeg de beker stuk den dag voor dezen,

als van mijn roes ik nauwlijk was genezen;

de scherven spraken met een lispelstem:

‘ik was als gij; gij zult als ik ben wezen.'


XXIV

Zij, die Poolstarren waren ongebluschten

en vuurbaak op der wijsheid verre kusten,

in doodsnacht konden zij hun weg niet vinden,

elk stamelde een verhaal en ging ter ruste.