Startpagina | Over deze site
U bevindt zich hier: Startpagina » Bibliotheek » Artikelen

Khayyám in het PerziŽ van Khatami

Hans de Bruijn
Leiderdorp, april 2000

Het is een veel verbreid misverstand dat de Perzen Khayyám als dichter pas hebben ontdekt nadat hij in het Westen furore had gemaakt. Niets is minder waar: alleen al het bestaan van collecties zoals Shirvani’s 'Nozhat al-majales' en het befaamde handschrift van de Bodleian Library in Oxford toont aan dat er al in de middeleeuwen een autochtone traditie bestond die in Khayyám

niet alleen een groot geleerde zag, maar ook een belangrijk dichter van kwatrijnen met een heel specifieke thematiek. Indien deze vroege verzamelactiviteit in Perzië en andere delen van het Perzische cultuurgebied er niet was geweest, zou Khayyám nooit onder de aandacht van Europese vertalers als FitzGerald en Nicolas zijn gekomen.

Dit wil niet zeggen dat de spectaculaire ontdekking van de kwatrijnen in het Westen zonder invloed is geweest op de Perzische belangstelling voor Omar als dichter. De oude overlevering van het corpus van kwatrijnen, dat in de loop van de tijd zo’n ongeloofwaardige omvang heeft aangenomen, moet wel degelijk worden onderscheiden van de nieuwe aandacht die zich tegen het einde van negentiende eeuw ging manifesteren in de Perzische cultuur. Voor de kleine groep intellectuelen die in die tijd met Westerse literatuur in aanraking kwam was de verering voor Khayyám, vooral in de Angelsaksische wereld, een wat tweeslachtig verschijnsel. Het was voor hen natuurlijk prettig te ervaren dat een Perzische dichter zoveel bewonderaars had in het Westen, maar dit was tegelijkertijd verwarrend omdat deze waardering niet helemaal strookte met de canon van de Perzische poëzie waarmee zij van huis uit vertrouwd waren. Hoewel, zoals gezegd, Khayyám beslist geen onbekende was als dichter, was hij toch een marginale figuur in vergelijking tot andere groten uit de klassieke literatuur. Voor de Perzische auteur J.K.M. Shirazi, wiens 'Life of Omar al-Khayyámi' in 1906 werd besproken door J.H.Leopold in De Nederlandsche Spectator, stond Omars betekenis als geleerde op de eerste plaats; volgens de recensent beklaagde hij zich erover dat "de wetenschappelijke arbeid van Omar en zijn zooveel belangrijker studiën in de Westersche beoordeling vergeten worden voor zijn verzen, die hem niet anders waren dan een ontspanning van ernstiger bezigheden."

Hoceyne-Azad, de samensteller van een in Nederland bekend geworden bloemlezing uit Perzische kwatrijnen, reageerde op de begeestering van een Engelsman voor Omar Khayyám met de opmerking: "le vieil Iran a donné naissance à maints et maints génies poétiques, dont quelques uns égalent Khèyyâm et même parfois le surpassent" (La Roseraie du Savoir, Leiden-Parijs 1906, p. VIII). Toch is het niet bij deze relativering gebleven. Al vroeg in de vorige eeuw stegen Khayyáms papieren ook in Perzië aanzienlijk. Het is tegenwoordig niet ongewoon dat hij genoemd wordt onder de weinige dichters uit het verleden met een actuele betekenis, naast figuren als Ferdowsi, de dichter van het nationale epos, en Perzië’s grootste lyricus Hafez. Zijn reputatie is vooral sterk gegroeid onder moderne intellectuelen, dichters en schrijvers. Omars rebelse levenshouding appelleert aan eigentijdse verlangens naar bevrijding uit de knellende banden van de traditie. Onvermijdelijk is deze poëzie daardoor een factor geworden in de cultuurstrijd die vanaf het begin van de twintigste eeuw woedt in Perzië en die altijd een politieke lading heeft gehad. De visie op Khayyám wordt niet zelden bepaald door de positie die tegenover het heersende regime wordt ingenomen. Dit gold voor het regime van de modern denkende, maar autoritaire, Pahlavi sjahs net zozeer als het nu geldt voor dat van de fundamentalistische wetgeleerden.

De receptie van Khayyám in de Perzische cultuur zelf is dus een onderwerp met vele facetten, die hier alleen maar kunnen worden aangestipt. De aanleiding voor deze notitie is de verschijning van twee artikelen in de jaargang 1378 (1999-2000) van 'Nashr-e Danesh' (“Verspreiding van kennis”), een tijdschrift van de Iran University Press in Teheran, waarin actuele verschijnselen op literair en cultureel gebied worden gesignaleerd. De auteur, Sayyed Ali Mir-Afzali, bespreekt in deze bijdragen een reeks nieuwe publicaties over Omar Khayyám uit het voorafgaande jaar. Hij wijst op een plotselinge toename van uitgaven over dit onderwerp, die niet minder opmerkelijk is door het feit dat het voornamelijk gaat om herdrukken van lang niet meer verkrijgbare titels. Hoewel Mir-Afzali discreet hierover zwijgt, ligt het voor de hand een verband te leggen met de grotere vrijheid van drukpers sinds de verkiezing van de gematigde Khatami tot president van Iran in 1997.

S. Hedayat

Het artikel in de aflevering van de lente van 1378 (nr. 16/1, pp. 27-39) is helemaal gewijd aan twee selecties uit de kwatrijnen samengesteld en ingeleid door Sadeq Hedayat (1903-1951). De betekenis van de schrijver Hedayat, internationaal bekend geworden door zijn surrealistische novelle 'Buf-e kur' (“De Blinde Uil”), voor de Perzische intelligentsia van deze tijd kan moeilijk worden overschat. Men zou hem gerust de icoon van het Perzische modernisme in zijn meest radicale vorm mogen noemen. In verschillende perioden van zijn leven heeft hij zich met Khayyám bezig gehouden. Het eerste bundeltje verscheen in 1924, voor de studietijd van Hedayat in Europa (1926-1930) en is nu voor het eerst in zijn geheel herdrukt.

Als telg uit een geslacht van hoge ambtenaren en officieren had Sadeq al in Teheran Westers georiënteerd onderwijs genoten en al jong kennis kunnen nemen van recente studies over Khayyám. In navolging van oriëntalisten als Edward Browne en Friedrich Rosen nam hij geen genoegen met de overlevering, maar ging hij op zoek naar een kritische methode om een in zijn ogen betrouwbare collectie samen te stellen. Evenals Rosen baseerde Hedayat zich op een kleine groep ‘sleutelkwatrijnen’, d.w.z. gedichten die vanaf de oudste bronnen aan Omar worden toegeschreven, en vulde die naar eigen inzicht aan op inhoudelijke gronden. Zijn eerste selectie omvat 195 kwatrijnen; in de tweede bundel, die in 1934 onder de titel 'Taraneha-ye Khayyam' (“De Liederen van Khayyám”) verscheen, heeft hij zich beperkt tot 143, waaronder 16 sleutelkwatrijnen. Hoewel Hedayat beslist geen literatuurgeleerde was, moet hem toch de eer van een pionier van de moderne Khayyám-studies in Perzië worden gegund. In een overzicht van deze studies laat Mir-Afzali zien dat vele onderzoekers na hem dezelfde methode voor het opsporen van de authentieke kwatrijnen hebben toegepast. Mohammad-Ali Forughi en Qasem Ghani , de uitgevers van een collectie kwatrijnen (1941) die min of meer tot een standaardtekst is geworden, zijn op een overeenkomstige manier te werk gegaan.

Aan beide bundels heeft Hedayat een inleiding toegevoegd waarin hij niet alleen zijn werkwijze als samensteller van de selecties verantwoordt maar ook zijn visie op Khayyám als persoon en als denker weergeeft. Zijn biograaf Homa Katouzian heeft de waarde van deze inleidingen doeltreffend onder woorden gebracht: “That what is true in it is not new, and that what is new is mainly not true. Yet, that what is new and largely untrue is extremely illuminating in relation to the development of Hedayat’s vision of life and death.” (Sadeq Hedayat: The life and literature of an Iranian writer, London-New York 1991, p.22). In beide gevallen is er inderdaad sprake van een projectie van eigen ideeën in de gedachtenwereld van Khayyám, maar er zijn belangrijke verschillen die Hedayats persoonlijke ontwikkeling weerspiegelen. Volgens Mir-Afzali onderschrijft hij in het korte essay van 1924 in feite de opvatting van de middeleeuwse mysticus Najm ad-din Daya die Khayyám veroordeelde als een agnostische natuurwetenschapper en een materialistische filosoof; alleen is dit voor Hedayat een positieve kwalificatie omdat hij in hem juist de vrijdenker bewondert. In de dertiger jaren, nadat Hedayats afkeer van het obscurantisme in de traditionele cultuur zich tot een diepgeworteld pessimisme heeft ontwikkeld, onderkent hij niet langer de vrijzinnige geleerde, maar de scepticus die door zijn onderzoek tot het inzicht is gekomen dat het menselijk begrip en de wetenschap niet bij machte zijn om de eeuwige mysteries te doorgronden. Hij ziet dat het kwaad in de wereld de overhand heeft op het goede en dat de hemelen niets zijn dan willoze instrumenten van het lot. Zelfs het hedonisme is bij Khayyám altijd verbonden met de gedachte aan het niet-zijn waaruit de mens is voortgekomen en het niets waarin hij weer zal verdwijnen.

Voor Hedayat zijn de kwatrijnen veel belangrijker dan Omars wetenschappelijke werk als wiskundige en astronoom: alleen in zijn gedichten kon hij vrij zijn fatalistische levensvisie ontvouwen; in geleerde geschriften moest hij steeds rekening houden met de gevoeligheden van zijn opdrachtgevers. In zijn afwijzing van de traditionele islam en zijn verlangen naar een herleving van het oude Iran van voor de Arabische verovering herkent Hedayat zijn eigen standpunt als modern Perzisch intellectueel.
Hedayats tweede bundel, die in de Pahlavi-tijd overal verkrijgbaar was in een populaire uitgave, verdween na de islamitische revolutie van 1979 van de boekenmarkt. De enige vertaling ervan in een Westerse taal is naar mijn weten: 'Les chants d’Omar Khayam', traduit du Persan par M.F. Farzaneh et Jean Malaplate, Paris: José Corti, 1993 [ISBN 2-7143-0489-3] (met dank aan Jos Biegstraaten). Mir-Afzali besteedt in zijn andere artikel (zomer 1378, nr. 16/2, pp. 33-41) aandacht aan een herdruk van Ali Dashti’s 'Dami ba Khayyam' (“Een ogenblik met Khayyám”) en aan drie nieuwe boeken van overwegend biografische aard. Een teken van de toenemende belangstelling voor Khayyám in het Perzië van Khatami is eveneens de aankondiging van aan hem gewijd congres dat in mei 2000 in Nishapur zal plaats vinden.